Verhalen

Een Wonderlijk Verhaal

Hoe de opdracht “Schrijf een Kerstverhaal” voor mij afliep

Tijdens een schrijfcursus in 2000 kreeg ik een leuke opdracht: schrijf een kerstverhaal. Althans, het leek me leuk in eerste instantie, maar het duurde even voor ik inspiratie kreeg… Maar na het eerste sprankje ging ik er helemaal in op. Als ik het nu weer lees, tovert het nog steeds een grote glimlach op mijn gezicht. Morgen (als ik dit blog schrijf is het 24 december 2022) is het weer kerst en ik dacht: “Ik wil dit verhaal graag delen.”

Het wonderlijke kerstverhaal van Marcus en Shinny

Marcus zat voorovergebogen aan zijn bureau. Voor hem lagen een dik schrift met een harde kaft en een vulpen. Er stond ook een potje met inktvullingen. Het schrift lag opengeslagen op de eerste bladzijde. Het witte papier met de strakke blauwe lijntjes schitterde hem toe. Marcus zat met de handen in het haar. Hij moest een kerstverhaal schrijven. Het zou in een boek met korte verhalen komen. Verschillende Nederlandse schrijvers waren uitgenodigd een bijdrage te leveren. Marcus ook. Over twee weken moest het af zijn en er stond nog geen letter op papier. Geen vonkje inspiratie.
Hij had bewust een nieuw aantekeningenschrift gekocht, felrood. Hij had er zelf wat groene dennentakken op getekend, zodat hij in de stemming zou komen. Dat was lastig, begin juni.

De verhaal-brokstukken die hij in dit schrift zou verzamelen zou hij op het laatst uitwerken op zijn laptop. Het leek er op dat hij dat in de laatste nacht voor de deadline zou moeten gaan doen. Oh zeker, hij had alle stappen gevolgd in het creatieve schrijfproces. Eerst had hij ‘kerstmis’ midden op een groot vel geschreven en was gaan mindmappen. Alles wat hij associeerde met kerst schreef hij op, ieder woord in een cirkel, verbonden met een eerder woord. Het was een dichtbeschreven vel geworden, dat nu op een prikbord boven zijn bureau hing. Daar hingen ook foto’s en kreten, uitgeknipt uit tijdschriften en reclameblaadjes, die met kerstmis te maken hadden. En toch, het verhaal wilde maar niet komen.
Hij was er op uit getrokken, had een lange wandeling gemaakt, zijn geest open en vrij. Er kwamen verschillende ideeën in hem op voor verhalen, eentje zou zelfs wel eens een boek kunnen worden, maar helaas, geen van allen was een kerstverhaal.
Daarna was hij een personagedossier gaan maken van de Kerstman. Hij had er zelfs ook een van zijn rendier gemaakt. Het was hem redelijk gelukt, maar nog steeds staarde hij naar een leeg vel.

‘Ik wil gewoon niet zo’n zoetsappig verhaal schrijven,’ bedacht hij, ‘vol zielige weeskinderen die dan ineens toch een fijne kerst hebben. Of van mensen die doortrapt zijn en gierig en die dan met kerst plots veranderen in hartelijke, gewetensvolle medemensen.’
Een andere optie restte hem nog. Een sprookje. Natuurlijk had hij gehoord van de elfen, de helpers van de Kerstman. Zij verzamelden de verlanglijstjes en pakten alle cadeaus in. Hij voelde hoe zijn geest blokkeerde.
‘Elfen, nee, daar geloof ik niet in, dat gaat me te ver. Bovendien, dat wordt vast ook veel te liefjes.’
Even overwoog hij zijn uitgever te bellen en haar te zeggen dat ze van hem geen bijdrage kon verwachten, maar verwierp die gedachte snel weer.
‘Dan kom ik daar niet meer aan de bak.’

Hij liet zijn blik nog eens over de vele foto’s en kreten dwalen die op het prikbord hingen.
‘Christmas is the age of wonders’ was er een van.
Ook weer zo’n prachtige gedachte. Hij werd uit zijn overpeinzingen gehaald doordat er werd aangebeld. Hij stond op en liep naar de voordeur. In de verwachting de postbode te zien staan deed hij open. Er stond niemand.
‘Wat krijgen we nou? Zeker belletje trekken,’ mompelde hij en sloeg de deur weer dicht. Hij zat goed en wel op zijn bureaustoel toen er weer werd aangebeld.
‘Wel verdr…’. Hij beende naar de deur en deed die met een zwaai open. Weer was er niemand.
‘Willen jullie nou eens ophouden met die flauwe geintjes!’ riep hij in het niets.
‘Weet je eigenlijk wel wat een moeite het me heeft gekost hier aan te bellen!’
Marcus deed verschrikt een stap achteruit, keek nog eens goed rond.
‘Ja, hallo, hier beneden!’ klonk het.
Marcus keek omlaag. Hij zag een mannetje staan, ongeveer een handlengte groot, dat met gekruist armen ongeduldig met z’n voet stond te tikken.
‘Nou?’ zei hij.
‘Eh, wat, nou?’ zei Marcus.
‘Oh, dit is verspilde moeite. Gegroet.’ Het mannetje draaide zich om en liep weg in de richting van het bos.
‘Ja, nee, wacht eens even. Ik… Wacht nou even!’ Marcus liep achter hem aan en ging voor hem staan.
‘Het zal vast een hele klus zijn geweest. Ben je in de klimop geklommen die tegen de muur groeit?’ vroeg hij. ‘Ik sta hier tegen een kabouter te praten,’ dacht hij.
‘Ja, dat heb ik gedaan. En ik ben geen kabouter, ik ben een Elf. Shinny.’
‘Oh.’
‘Laten we naar binnen gaan, ik vind het hier veel te warm.’ Shinny liep met verbazingwekkende snelheid in de richting van het huis. Marcus ging er achteraan.
Eenmaal binnen gekomen vroeg Shinny om een glaasje ijswater, dat Marcus ging halen uit de keuken. Hij kneep zich onderweg eens in zijn arm en onderdrukte een kreet. Het deed aardig pijn.
‘Het kan toch niet waar zijn,’ dacht hij. ‘Elfen bestaan niet.’
Eenmaal terug in zijn studeerkamer zag hij dat Shinny zich op de pot met inktvullingen had geïnstalleerd. Hij keek naar het prikbord.
‘Wat een onzin allemaal. Er klopt bijna niets van. Ze moeten maar eens bij ons komen kijken, in Korvantuturi, Oorberg. Kunnen ze zien hoe het echt is.’
‘Korvawat?!’
‘In Finland. Ach laat maar. Wat doe jij eigenlijk?’
Marcus legde uit dat hij een kerstverhaal probeerde te schrijven. De Elf lachte hard.
‘Geen wonder dat het je niet lukt. Met al die nep-plaatjes en verhalen,’ schamperde hij.
Marcus begon aardig geïrriteerd te raken door de Elf, die ook al niet in z’n beste humeur leek te zijn. Hij zei dat hij nu wel eens wilde weten waarom hij hier was.
Shinny keek hem lang aan en zei niets.
‘Nou,’ zei Marcus, die nu echt zijn geduld begon te verliezen.
‘Heb jij niet om een wonder gevraagd, dan?’ zei Shinny.
Marcus was met stomheid geslagen. Natuurlijk had hij gekeken naar het prikbord en bedacht dat hij best een wonder kon gebruiken, maar dit?
Shinny begon weer te lachen. ‘Ja, dat krijg je er van als je niet meer in sprookjes gelooft. Dan geloof je je eigen ogen ook niet meer.’ De Elf schudde zijn hoofd. ‘Maar, vooruit, ik ben in een genereuze bui vandaag. Ik vergeef het je. Pak je pen en schrijf op.’
Marcus kon niet anders dan gehoorzamen. De hele toestand was zo vreemd, hij besloot zich er maar aan over te geven. ‘Ik ga morgen wel even bij de huisarts langs,’ dacht hij.
‘Ja, die ziet je aankomen,’ zei Shinny.
‘Je moet eens ophouden mijn gedachten te lezen, Elf, dat is niet netjes,’ zei Marcus.
‘Oh nee? Maar anders had ik hier ook niet gezeten.’
Marcus trok een gezicht. Hij nam zijn pen in de aanslag en wachtte.

‘Oké. Een griezelverhaal, over een speelgoedwinkel waar het spookt.’
Shinny begon te vertellen. Marcus kon hem maar net bijhouden. Toen ze een paar uur laten klaar waren was zijn schrift half vol. Het was een behoorlijk spannend verhaal geworden. Een tikje vreemd misschien, vanwege de hoofdrol die was weggelegd voor een Elf, maar allesbehalve kinderachtig.
‘Zo, dat kan ik morgen mooi uitwerken. Ik ga iets te eten halen.’ De Elf knikte
‘Doe dat.’
Toen hij terugkwam was zijn bureau leeg. Hij riep, maar er kwam geen antwoord.
‘Wat is dit nou weer?’ dacht hij.
Hij keek eens rond in zijn kamer, maar zag niets. Toen viel zijn oog op zijn aantekenschrift. Het was dichtgeslagen. Op de kaft stond een tekening van een Elf. Shinny.
Marcus glimlachte. ‘De wonderen zijn de wereld gelukkig nog niet uit,’ dacht hij. Even meende hij de stem van de Elf te horen.
‘Nee, wat dacht je dan hoe al die geweldige kerstverhalen worden geschreven.’

(C) Maureen Piet 2022

Geef een reactie Reactie annuleren